Terugblik 2021

Zondag 12 september 2021 – Natuurwandeling in De Zwinduinen bij Knokke-Heist

Ga onmiddellijk naar de foto’s

Die zondag 12 september kwamen we met 15 Liever Gelijkers samen op het Oosthoekplein in Knokke voor onze begeleide natuurwandeling in de Zwinduinen.  Luc van Natuurpunt die ons vorig jaar in de baai van Heist rondleidde, was weer van de partij.

Ook twee oudgedienden, nl. Jan en Stefaan hadden de draad met Liever Gelijk weer opgenomen en zijn van plan zich weer in het verenigingsleven te storten nu hun 2 kinderen al wat groter zijn.

Luc begon zijn betoog.  In tegenstelling met de baai van Heist gingen we nu een heel ander soort wandeling doen.

“Zwinduinen” is in feite niet zo’n heel toepasselijke naam. Het grootste gedeelte bestaat inderdaad uit duinen, maar het voorste gedeelte voornamelijk uit polders.  We gaan dus eerst de polders doen, dan de oude duinen en voor de moedigen onder ons gaan we ook de jonge duinen trotseren.

Luc vestigde onze aandacht reeds heel vlug op een heel specifieke braam, die ook nodig is voor een heel specifiek beestje. Zonder die braam zou dit beestje hier ook niet voorkomen.

De braam in kwestie was de “koebraam”.  Typisch hieraan zijn de serieuze stekels die naar binnen krommen. Het beestje dat zich hierin thuis voelt, is de boomkikker, het is een heel klein “puutje”.  En we vonden inderdaad een mooi exemplaartje, een heel klein, frisgroen beestje met een bruin streepje vanaf de ogen naar de zijkant toe.

De boomkikker is inheems en kwam vroeger in heel België voor, maar nu nog maar op twee plaatsen, hier in de Zwinpolders en in Limburg.  Hij heeft een uitstekende camouflage, hij is groen en zit ook in of op het groen.  Zo’n klein kikkertje produceert toch nog zo’n 80 decibel aan geluid.  Stel je voor, in een poel zitten meestal 150 tot 200 roepende mannetjes, wat voor geluid zo’n hele groep wel niet teweeg brengt!  ’t Is niet dat hij stopt met roepen als hij een vrouwtje gevonden heeft, neen, het moet zeker niet per se een vrouwtje zijn, bij de beestjes heb je alle “combinaties” die er mogelijk zijn.

Je merkt dat het beste bij de padden. Wanneer je in het voorjaar de overzet doet, kom je dikwijls hele rare situaties tegen.  Een vrouwtjes pad is merkelijk groter dan het mannetje.  Zo zie je dikwijls bij de overzet, dat een mannetje zich reeds aan een vrouwtje vastgeklampt heeft, om toch maar de eerste te zijn, wanneer het vrouwtje de eitjes afzet, om deze te bevruchten. Maar je gaat zien dat er ook andere paartjes zijn, bv. een vrouwtje met een bruine kikker erop, of een vrouwtje met nog een vrouwtje, of twee mannetjes.  Met overzet bedoelde Luc van de ene kant van de weg naar de andere brengen, om te vermijden dat er te veel padden tijdens de paringstijd overreden worden.

Dan wees Luc ons op een plantje, het hazenpootje, een klaversoort. Klaversoorten zijn voor ons hier in de duinen eigenlijk niet zo interessant. Klaver heeft aan zijn worteltjes heel kleine knobbeltjes, veroorzaakt door de wortelknobbelbacterie.  Deze zorgt ervoor dat er stikstof opgeslagen wordt. ’t Is ook daarom dat boeren klaver zaaien om deze nadien in te ploegen als groenbemesting.

Je merkte ook reeds dat we meer naar de duinen toegingen.  We kwamen immers de duindoorn tegen. Luc vroeg een Chinese vrijwilliger om hiervan te proeven, maar vond er niet dadelijk eentje, men vertrouwde het zaakje blijkbaar niet helemaal. Luc vertelde dan, dat hier heel interessante bessen aanhangen, een beetje zurig, maar met veel meer vitamine C dan in een citroen. De mensen van de kust maakten er vroeger confituur van.

We zitten hier blijkbaar een beetje op de culinaire toer.  Luc toonde ons opnieuw een plantje en vroeg nog eens een Chinese vrijwilliger om ervan te proeven, maar dan eentje dat af en toe wel eens naar een chique restaurant gaat.  In een 4-sterren restaurant ga je dat zeker op je bord krijgen, nl. rucola, en dit was hiervan de wilde vorm.

Dan naar het volgende plantje.  Vele mensen denken dat dit paarse dovenetel is, maar als je het tussen je vingers fijnwrijft, krijg je een onaangename geur, dit is stinkende gouwe.

Luc wees ons ook nog op de iep of olm, meer bepaald de veld-iep.  We zagen een dood exemplaar dat aangetast was door de iepenspintkever. Op het moment dat een boom hierdoor aangetast wordt en langzaam sterft, komen er automatisch overal jonge scheuten uit en zo blijft ie verder leven.

We werden ook onderwezen in het verschil tussen zomereik en wintereik. In de zomer draag je een korte broek en in de winter een lange.  De eikels van de zomereik hebben een heel kort steeltje en die van wintereik zijn veel langer. ’t Is maar hoe je het bekijkt.

Hier bevond zich vroeger ook een groot vliegveld, en dit tot 1960.  Men maakte toen de keuze, ofwel het vliegveld behouden of dit gedeelte voorbehouden voor villabouw.  Men koos voor het laatste, maar Natuurpunt was daar ook nog.  Deze heeft dan de aanzet gegeven voor de volledige bescherming van dit gebied. Dat werd dan aangekocht door het Agentschap voor Natuur en Bos. Dit heeft tamelijk veel geld gekost, aangezien dit in feite bouwgrond was, villabouwgrond nota bene, in het Zoute…

Het volgende plantje, de ratelaar, met zijn gele bloemetjes.  Moest je in mei komen, dan zie je hier één gele vlakte.  De ratelaar is eigenlijk een parasiet. Deze hier parasiteert op gras, daardoor verflauwt hij de grassen, zo krijgen andere planten de kans om te groeien.

Vervolgens watermunt, niet zo sterk als de gewone munt die wij kennen, maar ook eetbaar.  Luc vertelde ons, onthoud dit, alle planten met een vierkante stengel zijn eetbaar, dus bv. ook de witte dovenetel.

Eén van de meest gewaardeerde struiken vroeger, de besjes van de sleedoorn.  Ze zijn niet giftig, maar ze zijn wel enorm wrang. Hiervan maak je een heel lekker drankje. Zelf distilleren mogen we niet, maar wel opleggen.  Een weekje in de diepvries, in porties van 1 kg, nadien strooi je daar 200 gr suiker over en dan een liter jonge jenever erop. Laat die dan in grote (gesloten) bokalen een maand of drie in een droge donkere ruimte trekken en je hebt het lekkerste drankje dat je je kunt indenken. Luc was daar heel enthousiast over.

Op een bepaalde plaats botsten we op een hele populatie van de groene boomkikkertjes.  Moest je het niet weten en er niet op letten, je ging er gewoon aan voorbij.  De oorzaak van het verdwijnen van deze kikker in de rest van ons land is de landbouw.  Hierdoor verloren ze hun habitat.

Ze hebben een vijver nodig voor hun voortplanting.  Deze moet niet te diep zijn en in zandgrond liggen, er mogen geen vissen in zitten, aan de noordkant moeten er (braam)struiken staan om in de zon te kunnen zitten.

Luc wees ons op een bepaalde plaats naar buizen die in de grond staken.  Deze dienen om het grondwaterpeil te meten. Als er in Knokke grote projecten doorgaan, zoals de bouw van appartementsgebouwen, dan zie je dat, door het pompen dat ze doen om die bouwputten droog te houden, het waterpeil naar beneden gaat.

We doen heel veel dingen waarvan de mensen niet beseffen, hoe ver dat deze reiken.  We zijn hier een heel eindje van de bebouwing verwijderd en toch kun je de gevolgen hiervan zien aan de daling van het waterpeil.  Dat scheelt soms wel tot 2 – 3 meter.

We kwamen ook geiten en pony’s tegen.  Het zijn geen tamme beesten, dus je moet niet proberen ze te aaien. Deze worden hier ingezet om de duinen te begrazen om te vermijden dat deze door grassen en struiken worden overwoekerd.

We zaten hier in Knokke-Heist, de laatste gemeente voor de Nederlandse grens.  In de verte zagen we de duinen van Cadzand liggen, maar helemaal links in de verte aan de einder wees Luc ons de duinen van Walcheren aan.  Vervolgens voorbij het dammetje van de zeilhaven van Cadzand, zag je een heel klein torentje priemen, daar zit je al in de haven van Vlissingen.  En dan helemaal naar links, moest je een verrekijker hebben, zou je de grote vuurtoren van Westkapelle zien liggen.

Luc wees ons in de duinen nog op verschillende andere plantjes zoals de boksdoorn, een nachtschade, waarvan de bloemetjes op die van de aardappel lijken. Boksdoorn bloeit het hele jaar door, maar is ook giftig zoals de meeste van de nachtschade familie.

Luc’s kennis van planten was haast onuitputtelijk, te veel om op te noemen.  In plaats van de geplande twee uur, duurde onze rondleiding haast een volle drie uren.

Dan werd het natuurlijk hoog tijd om de inwendige mens te versterken en in een zaak vlakbij het natuurgebied vonden we nog een ideale plaats om op een terrasje met een drankje deze leerzame wandeling in de zwinduinen van Knokke-Heist af te sluiten.

 

 

Zondag 22 augustus 2021 – 14 uur : Fietstocht De Moeren Route

Onmiddellijk naar de Foto’s

Onze natte zomermaanden indachtig, was er natuurlijk niets meer dat we wensten, dan dat het droog zou blijven tijdens onze jaarlijkse fietstocht. Die zondagmorgen zag het er immers nog niet zo goed uit.

Maar zie daar, onze wens kwam in vervulling.  Ook deze keer bleven de hemelsluizen gesloten, maar in plaats daarvan kregen onze kuiten een fikse tegenwind te verduren.  Met 13 diehards verzamelden we aan het kasteel van Beauvoorde in de verre Westhoek. Alhoewel met 13 .…  er was er toch eentje bij die er niets beter op gevonden had, dan al aan het restaurant te gaan staan, waar we die avond gingen dineren. Kwestie van op tijd te zijn 😉

Het was reeds van mei 2017 geleden, dat we met Liever Gelijk nog in Beauvoorde geweest zijn, toen  voor ons weekend in de Kapelhoeve.

Gauw nog een groepsfoto genomen en dan gingen we van start.

De Moeren, een beetje geografie en geschiedenis:

Aan beide zijden van de Frans-Belgische grens ligt tussen Veurne en Duinkerke het poldergebied ‘De Moeren’. Deze heeft een oppervlakte van +/- 3.500 ha, waarvan 1.450 ha in België en 2.050 ha in Frankrijk.

Aan het einde van de middeleeuwen bestond het gebied van De Moeren uit een laaggelegen moeraslandschap met twee grote poelen, de Kleine en de Grote Moere. Al vanaf het begin van de zeventiende eeuw is er getracht De Moeren in te polderen; hoewel dat enkele malen gelukt is, werd het gebied later toch weer overstroomd. Pas in 1826 werd het definitief drooggelegd.

Thans behoren de Moeren tot de rijkste landbouwgronden van Veurne-Ambacht.  Het diepste punt van De Moeren, ruim twee meter onder gemiddeld zeeniveau, is tevens het diepste punt van België.

Deze polder is bijzonder boeiend, zowel historisch, geografisch, als op het vlak van de waterhuishouding en de waterwegen- en kavelstructuur. Omdat ze zo laag liggen, moeten de 3.500 ha landbouwgrond volledig en permanent kunstmatig bemalen worden. (Wikipedia)

Vanuit Beauvoorde reden we dra voorbij het stemmige kerkje van Izenberge, met een bocht rond het kerkhof, de landerijen in.  Weldra kwamen we aan onze eerste stopplaats in Leisele, bij de herberg In de vetten Os, gekend voor zijn picons. Niemand echter, die zich daar reeds aan waagde.

Leisele is een charmant en rustig dorpje, de huizen netjes gedrapeerd rond het dorpsplein aan de kerk.  Toch een beetje té rustig naar onze zin.  We stelden ons de vraag, waar moet je ginder naar toe als homo met Veurne als het meest nabije stadje?

Dan verder naar Houtem. Ook weer met een onvervalst landelijk karakter en heel middeleeuws aandoend met zijn oude pastorie.

Daar hing een plakkaat met de volgende vermelding: Tussen 23 januari 1915 en 18 oktober 1918 bevond zich hier het Groot Hoofdkwartier van het Belgische leger.  Het Groot Hoofdkwartier bestond uit de opperbevelhebber van het Belgische leger, koning Albert I, met zijn staf en diensten. Ze werden bijgestaan door andere officieren en specialisten.

Tot nu toe was het landschap zacht glooiend, het typische geborgen Houtland van Veurne-Ambacht.  Weldra zouden we in de échte Moeren belanden.

En het was daar dat onze Jan, letterlijk zijn pedalen verloor.  Gelukkig kon hij zich laten meetrekken aan de sterke en welwillende schouders van onze elektro en andere bikers.

We fietsten nu niet meer over kronkelende veldbaantjes, vaak beschut en beschermd door bomen, hagen en struikgewas, maar op lange en kaarsrechte banen naast afwateringslopen en dito sloten. Brede rietkragen zoomden deze waterlopen af.

Zo passeerden we aan het pompgemaal “De Seine”.

Zoals eerder vermeld, dient het poldergebied De Moeren nog steeds constant ontwaterd (bemalen) te worden.  Hiervoor worden het pompgemaal “De Seine” en de molen “Sint-Karel” ingezet.  Deze twee pompstations dienen de Moeren te vrijwaren voor overstromingen.

Zo kwamen we aan een volgend restant uit het verleden: het Douaneschuilhuisje De Moeren.

We lazen er de volgende verklarende tekst: “Nauwelijks bevolkt en grensoverschrijdend vormden de Moeren jarenlang een uitgelezen terrein voor smokkelaars of “blauwers”. Evenwel niet zonder gevaar, want de ‘kommiezen’ lagen natuurlijk op de loer. Door weer en wind en bij nacht en ontij trokken de douaniers er te voet of met de fiets op uit om de ‘blauwers’ in de kraag te vatten. Menig wandelaar en fietser zal beamen dat dit schuilhokje in de weidse moerenvlakte een ideale verpozing kon bieden en dat was natuurlijk ook zo voor de ambtenaren van de administratie der Douane en Accijnzen.  Men vond dergelijke geïmproviseerde aubettes (wachthuisjes) overigens aan beide zijden van de grens.

Het kommiezenkotje op de hoek van de W. Coberghestraat en de Noordmoerstraat is kort na de Tweede Wereldoorlog opgebouwd. Ten tijde van de velddienst per fiets fungeerde het als een controle- en observatiepunt met een uitstekend zicht over het gebied en op de grensovergang van de toenmalige Noordstraat (thans Noordmoerstraat). Het is overigens het laatst overgebleven schuilhokje van de drie die destijds gebouwd werden. Een uniek restant uit een tijd dat er nog grenzen waren.

Wij konden er met alle gemak passeren, immers in de “kommies” die het kotje bewoonde, zat er niet al te veel leven.  Toch maar een saaie job om er al decennia lang als een soort vogelschrik te moeten fungeren en het leven aan zich te zien voorbijgaan.

We waren nu al een goeie drie uur onderweg en weldra kwamen we aan onze laatste stopplaats.

Een luttele honderd meter verwijderd van de fietsroute, helemaal verscholen tussen het groen, werden we verwelkomd door Edgard op zijn kasteel Sinte Flora.

We mochten plaatsnemen aan de achterkant van het kasteel bij de Orangerie en met zicht op de kasteeltuin en – vijver.

Nadat Edgard ons de drankjes had gepresenteerd, deed hij zijn verhaal.

Na jaren van leegstand kocht hij samen met zijn zoon het kasteel aan, begin 2017.

Een domein vol geschiedenis, want Koning Albert I en zijn vrouw Elisabeth verbleven hier een jaar tijdens WOI. De vorige eigenaars hadden het historische pand voor meer dan een miljoen euro beginnen te restaureren, maar gingen met hun bedrijf over de kop.  Toen Edgard en zijn zoon Sinte Flora voor het eerst bezochten, was er nog maar weinig over van de oorspronkelijke grandeur van dit kasteel dat in 1851 in neoclassicistische stijl werd opgetrokken.

Edgard vertelt: Het onkruid stond metershoog in de tuinen, de ruiten werden overwoekerd door klimop en het regende op verschillende plaatsen even hard binnen als buiten. Het terras waar we nu zaten was indertijd bedekt met een 30 cm dikke grondlaag.

We mochten even in de verschillende ruimtes beneden rondneuzen en waren wel onder de indruk van wat Edgard in die paar jaren allemaal had gerealiseerd. De Orangerie herbergde een grote receptieruimte, daarnaast een feestzaal in het bijgebouw.  De vertrekken daarachter waren ingericht in de oorspronkelijke stijl met authentieke meubels en schilderijen uit de 19e eeuw.

De ruimtes boven hebben we niet bezocht, zo ver riskeerden we ons immers niet.

Spijtig genoeg lagen tijdens de coronaperiode alle feesten en recepties stil.  Edgard hoopt om zo spoedig mogelijk weer die draad op te kunnen nemen.

Sinte Flora, zeker een bezoekje waard.

Daar realiseerden we ons echter dat er eentje ontbrak.  We waren zo druk bezig met Edgard en het kasteel, dat we niet in de mot hadden dat Philippe verdwenen was.

Blijkbaar was hij bij een plaspauze onze groep uit het oog verloren en omdat wij van de fietsroute afgeweken waren om het kasteel te bezoeken, fietste hij regelrecht verder naar onze eindbestemming in Beauvoorde.  Daar vonden we hem terug op het terras van een plaatselijk dorpscafé.

We konden hem nog troosten met de woorden, dat zijne cafébaas toch wel veel knapper was dan die van kasteel Sinte Flora.  Eind goed, al goed.

Het was een heel interessante fietstocht doorheen een toch wel onbekend stukje West-Vlaanderen met her en der verborgen pareltjes. De moeite waard om te doen.

Met nog een tiental uitgehongerde fietsers sloten we ons dagje De Moeren af in het stemmige restaurant De Reygaerd in Avekapelle.

Dinsdag 20 juli 2021 – Filmavond “Falling”

Ga onmiddellijk naar de foto’s

Het verhaal:

John woont samen met zijn echtgenoot Eric en hun dochter in Californië, ver verwijderd van het traditionele plattelandsleven dat hij jaren geleden ontvluchtte. Johns eigenwijze vader Willis woont nog steeds op de afgelegen boerderij waar John opgroeide, maar kan die steeds moeilijker runnen door zijn beginnende dementie. Wanneer John hem naar Californië brengt, loopt de spanning tussen vader en zoon op door de confrontatie met hun verleden en de vele jaren van wederzijds wantrouwen. Beiden staan ze voor de uitdaging om na al die jaren een manier te vinden om elkaar te aanvaarden en te vergeven.

Viggo Mortensen, hoofdacteur én regisseur in deze film, is vooral gekend als Aragron uit The Lord of the Rings.

Viggo maakte met Falling een erg persoonlijk en intens regiedebuut. Hij schreef de film na de begrafenis van zijn moeder toen hij terugdacht aan zijn jeugdjaren. De film is geen autobiografie, maar een ingetogen verhaal over herinneringen, vergeving en familie.

Zoals altijd was het afwachten hoe de film zou overkomen.

Het was inderdaad, een mooie, poëtische film qua beelden die ongemerkt overvloeiden van het heden naar het verleden en terug. Een prachtige filmografie, maar die op het einde een beetje te veel van het goede werd. Less is more zou hier ook wel beter van toepassing geweest zijn.  Nu was het meer More is less.

De acteerprestaties van Viggo Mortensen waren eigenlijk een beetje té ingetogen, alsof hij wou bewijzen dat hij zijn gevoelens altijd onder controle had, zelfs tegenover de meest cassante uitbarstingen van zijn vader. Je zou voor minder iemand de kop inslaan.  De acteerprestaties van de vader (Lance Henriksen) 80 jaar toen de film vorig jaar opgenomen werd, waren dan voor sommigen over de top en een beetje overacting. Ik denk wel dat hij er plezier in had om een dergelijk vuilgebekt wezen ten tonele te brengen. De overgangen tussen de vlagen van dementie en “normaliteit” waren niet zo duidelijk.  Was hij nu helder van geest als hij bepaalde uitlatingen deed of juist niet?

Kortom, wat ik van deze film zal onthouden, zijn inderdaad de mooie natuurbeelden, dikwijls vol symboliek en verwijzingen naar het leven onderhuids.

We waren toch nog met 16 man die deze film kwam bekijken, alhoewel we midden in de vakantieperiode zaten.  Zelfs een nieuw gezicht uit Kuurne, Freddy, die eens wou kennismaken met onze groep, was mee van de partij.

Achteraf zakte een bendeke nog af naar de Irish Pub naast de Budascoop.

Het was reeds voorbij middernacht toen de laatsten van elkaar afscheid namen.

Zondag 4 juli 2021 – Triënnale Brugge

Ga onmiddellijk naar de foto’s

Weer of geen weer, we zullen deelnemen, hoorden we sommigen zeggen.

Inderdaad die eerste zondag in juli regende het pijpenstelen.   Maar in de namiddag was er verbetering verwacht.  Hoop doet leven niet waar, daarom mochten we ook 30 Liever Gelijkers verwelkomen op die culturele namiddag in Brugge.

Het was onze eerste activiteit sedert september 2020, toen een natuurwandeling in de Baai van Heist. Ook nu dienden we twee gidsen te engageren om een te grote groep te vermijden.

9 Maanden hebben we op een eerstvolgende bijeenkomst moeten wachten.

Afspraak met de paraplu aan het standbeeld van Jan van Eyck in Brugge, vlak aan de Spiegelrei.

We mochten ook een paar nieuwe gezichten verwelkomen, Vanessa en Marc van het vroegere bestuur van het West-Vlaamse Regenbooghuis en Mario uit Oost-Eeklo die eens met onze groep wou kennismaken.

Ons groepje ging op stap met Rika Christiaen, een heel gedreven en welbespraakte gids.

Eerst gaf zij een paar woorden uitleg over de Triënnale zelf.

Het begon eigenlijk allemaal in 1968, de allereerste Triënnale die in Brugge plaatsvond, dan 3 jaar later in 1971 een tweede keer en in 1974 een derde keer.

Dat waren tentoonstellingen indoors.  Het ging toen vooral om Belgische kunstenaars.

Dat is dan stilgevallen en in 2015 is het opnieuw begonnen op vraag van de toenmalige burgemeester Renaat Landuyt.  Hij wou de stad opnieuw confronteren met hedendaagse kunst en architectuur.  Landuyt vond het passend dat een historische stad als Brugge in dialoog moest kunnen treden met hedendaagse kunst.

In 2015 was het thema Brugge als megapolis.

In een goed en normaal jaar hebben we gemiddeld 6 à 8 miljoen toeristen.

Stel dat al die toeristen zouden blijven, wat voor een impact zou dat hebben, architecturaal gezien natuurlijk, maar ook sociaal gezien op de bevolking?

In 2018 was het thema the liquid city, de vloeibare stad, de vloeibare samenleving.

Er werden toen ook nieuwe pleintjes gecreëerd, hoofdzakelijk op het water.

In 2021 slaat de Triënnale een andere richting in.

Waar het vroeger meer om het sociale ging, gaat men nu vooral focussen op het persoonlijke, het individuele, het lichamelijke en mentale bewustzijn van de maatschappij.

Dit jaar hebben we in totaal 13 installaties, maar in twee uurtjes gaan we die natuurlijk niet allemaal kunnen zien.

Het thema is TraumA, tussen droom en realiteit. Je hebt in het logo een aantal woorden, het eerste is “Traum”, droom, dan heb je “Raum”, de ruimte, dan heb je Trauma, het negatieve, maar kijk naar de T en de A, die zijn schuingeschreven, het is precies alsof deze twee letters naar de ruimte toe duwen. Zo ontstaat een tussenruimte, dat is het verborgene.

Droom… Brugge is een droom van een stad, niet alleen voor de inwoners, maar ook voor de toeristen die de idyllische plekjes komen ontdekken en bewonderen.

Maar elk paradijs heeft zijn tegenpool en dat is de hel. Als je al die mooie gevels ziet, het verborgene, wat schuilt er achter deze gevels?  Hoe is het interieur, wie woont er daar …?

TraumA balanceert tussen het privé en het openbare, tussen droom en werkelijkheid, tussen droom en nachtmerrie, tussen waan en werkelijkheid. Het is natuurlijk ook zo, dat in Brugge minder fraaie kanten aanwezig zijn.  In die droomstad bestaat ook eenzaamheid, daar bestaat ook armoede, daar bestaat ook vervuiling …

Maar dan hebben we de tussenruimte, het verborgene.  Dat verborgene proberen we naar boven te halen.  In deze tentoonstelling werkt men op de verbeelding, op de pracht en de praal, maar er is ook het “Unheimliche”, het onbehagen dat aanwezig is.

We denken dan ook aan de vroegere pestepidemies, deze worden immers dikwijls vergeleken met de coronapandemie van nu.

Rika begeleidde ons dan naar de eerste installatie.

Bij het woord “Poortersloge” ietsje verderop wees zij ons naar de installatie boven de eerste O. Je ziet daar precies een vogelnest.  Anderen hadden andere associaties 😉  Deze “vogelnesten” zijn in deze tentoonstelling de verbindende elementen tussen de verschillende kunstwerken.

Elke kunstenaar heeft zijn eigen locatie mogen kiezen, het waren niet de curatoren die daarover beslisten.

De kunstenaar Adrián Villar Rojas heeft 80 van dergelijke vogelnestjes in de stad verspreid. De nestjes komen uit zijn thuisland Argentinië en zijn gerestaureerde versies van gevonden exemplaren.  De vogelnesten van Villar Rojas behoren tot de reeks “Brick Farm”. De titel verwijst naar het moment dat hij, in een baksteenfabriek te Rosario, nesten vond van de rode ovenvogel. Het dier maakt prachtige bouwwerken die vormelijk overeenkomen met oude modderovens, ontworpen door de vroegagrarische volkeren van Argentinië,

Een opvallend gegeven hierbij is dat de vogels hun nesten steeds bouwen op menselijke structuren en ze ook blijvend restaureren. Eender waar je deze nesten aantreft, het zal niet duidelijk zijn of je een authentiek of artificieel nest bekijkt. Zo laat Villar Rojas ons nadenken over hoe nauw natuurlijke en menselijke artefacten met elkaar verbonden zijn.

Hier in Brugge blijven de nestjes staan totdat ze vervallen, door de regen en weersomstandigheden. De eindigheid, de vergankelijkheid zit ook in zijn werk.

Rika liet nog een foto van de kunstenaar zien, inderdaad een mooie jongen, wisten we allemaal te beamen.  Iemand wou zijn adres, maar spijtig genoeg heeft hij dit niet, hij leeft nomadisch.

En dan op naar de volgende: Henrique Oliveira brengt met Banisteria Caapi (de naam van een Zuid-Amerikaanse liaan) een stukje van zijn thuisland, Brazilië, naar Brugge. Op een restant van de eerste stadsomwalling kronkelt een imposante wortelstructuur, alsof die er al altijd geweest is. Hij bootst de natuur na.

Hij gebruikt multiplex, houten panelen die in Brazilië veelvuldig gebruikt worden in de bouw. Eenmaal de bouw af, worden die multiplex panelen weggegooid, in containers of eventueel op straat, zodanig dat de bewoners deze kunnen gebruiken om houten huizen te bouwen.  Hij gaat deze verzamelen, in elkaar puzzelen om er zijn eigen, organische kunstwerken van te maken.

Het is zo waarheidsgetrouw weergegeven, dat je niet zou denken dat dit artificieel is.

Het doet ook denken aan de overwoekeringen die we vinden op historische sites, bv. in Angkor Wat.

Vervolgens naar: Nadia Naveau, les Niches Parties.  De verborgen nissen. De nissen van dit huis zijn weggestoken achter maskers.

Nadia Naveau werd geboren in Brugge, maar verhuisde jong met haar ouders naar Antwerpen.

Zij werkt heel graag figuratief, waarbij ze vaak gebruik maakt van de Oudheid, maar ook van de Europese Barok.  In dit geval heeft ze in haar kunstwerk de invloed van de kleuren en culturen uit Mexico betrokken.

Ze heeft hier 7 spiegelende maskers gemaakt die behangen zijn met lintjes.

Zij heeft het thema van TraumA op een positieve manier aangepakt. Voor haar zijn dit dromen van geluk. Ook het getal 7 is een geluksgetal en staat eveneens voor spiritualiteit.  Het geluk komt in een mensenleven aangewaaid, net zoals hier de linten, die door de wind bewegen.

Die maskers verwijzen naar de stad van het karnaval en de maskers, Venetië, zo ook naar Brugge, het Venetië van het Noorden.

Nadia zegt, ik hoop dat van mijn installatie de toeschouwers een gevoel van geluk krijgen.

Verder naar Jon Lott, the Bruges Diptych.

Jon Lott is een Amerikaan.  Hij is ontwerper en assistent professor architectuur aan Harvard. Hij heeft ook een eigen architectenbureau.

Hij heeft van de stad Brugge opdracht gekregen om een paviljoen te maken waarin de publieke organisatie van de Triënnale kon plaatsvinden, bv. lezingen, activiteiten, een ontmoetingsruimte …

Maximum 98 personen kunnen daar corona-proof in.

Jon Lott is gefascineerd door het begrip “dubbelganger”. Hij verwijst naar een relatie, man-vrouw relatie, partnerrelatie.  Hij zegt dat dit tweede item altijd een versterking is van de eigen persoonlijkheid.  Dat probeert hij hier ook in zijn kunstwerk te brengen, “het Brugse Tweeluik”.

 Het is ook een verwijzing naar de Vlaamse Primitieven, want als je kijkt naar het witte huis aan de overkant, daar zou Jan van Eyck gewoond hebben. Niet in datzelfde huis natuurlijk, maar wel op die locatie.

Hij gaat een architectonisch tweeluik maken en hij vertrekt van de gevel van een oud pand dat nu leeg staat. Tegen die gevel bouwt hij zijn paviljoen, zo krijg je al dadelijk een dubbelganger en daarbij gaat hij ook zijn eigen paviljoen ontdubbelen. Zijn ontwerp split uit. Hij verwijst ook naar de spiegeltjes,  “spionnetjes”, die hij hier aan sommige huizen zag.

Het paviljoen was toen nog niet af wegens een klacht van een buurtbewoner, waardoor de werken een tijdje stil lagen.  Er was wel een bouwvergunning, maar de termijn van dertig dagen waarbinnen in beroep kon worden gegaan, was nog niet verlopen.  Het was dus correct dat er nog niet gebouwd mocht worden. Intussen zijn de werken wel terug hervat.

We waren hier op de Gouden Handrei.  Een speelse verwijzing hiernaar vonden we boven een voordeur.

Dan naar de installatie van Amanda Browder (US) – Happy Coincidences.

Amanda Browder maakt grote textielinstallaties samen met lokale bewoners, die ze van bij het begin bij haar creatieproces betrekt. De rijke geschiedenis van een plek of een wandeling doorheen verschillende buurten zijn haar belangrijkste inspiratiebronnen, net als de persoonlijke verhalen die tijdens de co-creatiemomenten worden gedeeld.

Het startpunt is het verzamelen van textiel. In een tweede fase werkt Amanda samen met vrijwilligers uit de lokale gemeenschap om het textiel te ordenen en aan elkaar te naaien.

In Brugge werden de stoffen eveneens gefotografeerd, om tot een digitale collage te komen. Het overkoepelende doel is om mensen te betrekken bij de bijzondere ervaring van creatie en vooral om te ontdekken dat samen tot een kunstwerk komen – los van enige voorkennis – een positieve ervaring teweeg kan brengen.

Als laatste wordt de textielinstallatie in de publieke ruimte geïnstalleerd. Met levendige kleuren en speelse patronen verandert de schaal van wat eerst privé was (als individu stof doneren of komen helpen tijdens de ‘sewing days’) tot een openbaar en toegankelijk kunstwerk, dat zich respectvol integreert in het historische en sociale weefsel van een stad.

‘Happy Coincidences’ verbindt op een sublieme manier het heden met het verleden. De textielinstallatie voor de Verversdijk verwijst naar de ververs die tijdens de middeleeuwen de Reie gebruikten om het Vlaamse laken te kleuren.

Vanop het bruggetje over de Verversrei zag je in de verte het pleintje met de St.-Anna kerk en nog verder de Jeruzalemkerk.

Rika wist te vertellen dat de Jeruzalemkerk eigendom is van de familie de Limburg-Stirum, rechtstreekse afstammelingen van de familie Adornes. Het is een van de weinige privékerken in België.

Vorig jaar zouden we dit Adornes-domein bezocht hebben, maar de coronacrisis stak daar een stokje voor.

Op dit moment wordt de Jeruzalemkerk gerestaureerd.  Reden te meer om dit in een volgend werkjaar opnieuw in te plannen.

We kwamen voorbij het Europacollege, dat voor kort nog in het nieuws kwam door fuivende studenten. Maar niet op deze locatie, zei Rika, wel hier in de buurt.

Verder naar het Sint-Maartensplein met de installatie van Hans Op de Beeck, Danse Macabre.

Hans Op de Beeck plaatst met ‘Danse Macabre’ een draaimolen op ware grootte op het Sint-Maartensplein.

Iedereen van ons was blij verrast met deze installatie, alhoewel deze monochroom gekleurd is in grijze tinten, had het toch iets van een lugubere schoonheid. De versteende paarden, de elegant geklede skeletten die deze carrousel bevolkten, waren gewoonweg fascinerend.

Rika, vroeg ons, gaan de paarden op en neer in je verbeelding, hoor je de orgelmuziek, ruik je de geur van suikerwafels?   Alles komt tot leven, maar speelt zich af in onze verbeelding als je deze installatie bekijkt.  Gewoonweg prachtig!

Dan ging het naar de laatste installatie van die wandeling (maar niet van de Triënnale):

Nadia Kaabi-Linke (geboren in Tunesië, maar woont en werkt in Berlijn) Inner Circle op de Burg.

Nadia Kaabi-Linke brengt een cirkelvormige installatie van publieke banken die aantrekkelijk blinken maar door scherpe pinnen niet toegankelijk zijn. De bezoeker kan er niet even op gaan zitten, of tot ontmoeting komen.

De sculptuur ‘Inner Circle’ glanst en springt in het oog, maar laat tegelijkertijd een defensieve cirkel en leegte achter in het midden. Ze haalt inspiratie uit het eivormige grondplan van de stad en haar vroegere omwalling, familiale structuren en banden, werksituaties en arbeidscontexten of exclusieve clubs en geprivilegieerde gemeenschappen die vaak een cirkelvorm gebruiken in hun logo.

Wereldwijd worden organisaties opgezet om uitwisseling te stimuleren, belangen vorm te geven en te vrijwaren. Vaak gaat het om rijke en mannelijke leden die de meerwaarde van dergelijk lidmaatschap onderschrijven. Het gaat soms fout als er in een dergelijke structuur geen ruimte is voor anderen. Of als er misbruiken ontstaan die verborgen blijven door geheimhouding, zoals huiselijk geweld of financiële constructies.

Nadia verwijst ook naar de metalen pinnen die wij hier op (historische) gebouwen zetten om duiven te weerhouden.  Iets wat zij niet kende, immers vogels waren voor haar symbool van vrijheid.

Rika sloot hier haar wandeling en betoog af en verwees nog naar de verschillende installaties van de Triënnale die we niet bezocht hadden.  Reden te meer om nog eens naar Brugge terug te keren (de mooiste stad van België volgens Rika) om deze andere kunstwerken te bekijken en te bewonderen.

In de verte zagen we de andere groep ook arriveren met hun eigen gids.  Of deze ook zo rad van tong en enthousiast was geweest als Rika, hebben we het raden naar.

We trokken dan naar het Astridpark in Brugge om onze eigen apotheose te beleven.  Inderdaad apotheose, want intussen was het zonnetje steeds meer en meer van de partij.  Midden in het park, op de kiosk aldaar, werden we verwelkomd door Günther en Wim die ons met allerlei snacks and refreshments verwenden.  Een welgekomen orgelpunt in ons namiddagje Brugge.

Met nu alles te samen 32 man namen we onze tijd om op verhaal te komen na 9 maanden corona quarantaine.

Het feit dat de namiddag midden in het groen en onder een stralend zonnetje afgesloten werd, gaf een extra cachet aan deze eerste activiteit van 2021.  Iedereen was zichtbaar tevreden en happy nog eens ons groepsgevoel te beleven.

Deze après-activiteit duurde natuurlijk weer langer dan onze Triënnale wandeling zelf.  Activiteiten zijn op zich heel leuk en interessant maar dikwijls ondergeschikt aan ons samenkomen achteraf. Waarrond we samenkomen is niet het belangrijkste, wel het samenkomen op zich.  En dat kentekent toch wel onze vereniging.

Natuurlijk werd het ook tijd om afscheid te nemen.  Sommigen gingen in groepjes nog ergens een etentje wegslaan, anderen gingen dan weer recht naar huis.

Francis sloot deze zalige dag af met de volgende gevatte en ludieke afscheidswoorden:

I LOVE YOU IN THE MORNING

I LOVE YOU IN THE NIGHT

 I LOVE YOU IN PYJAMAS

I LOVE YOU MORE … WITHOUT

See you on the next activity!