Terugblik 2015

Zondag 22 november 2015 – Wandeling St. Donaaspolder

  • De warme novemberdagen waren verdwenen.  In de plaats daarvan gure noorderwinden en fikse winterse buien.  Geen weer om een hond door te jagen.

    Toch verzamelden er een 19-tal Liever Gelijkers op de parking t.o.v. het benzinestation Tamoil bij St.-Anna-Ter-Muiden.

    Onze gids Stefaan van Natuurpunt was reeds ter plekke.  Sommigen onder ons dachten dat hij waarschijnlijk een nieuwkomer was en hij mocht dan ook in de kussen delen.

    Toen de laatsten alle omleidingen tussen Brugge en Zeebrugge hadden gezien en badend in het schuimzweet ter plekke waren gearriveerd, begon Stefaan aan zijn rondleiding en betoog.

    De zon brak toen door, wat wil je nog meer.

    Het stukje natuur dat we gingen doorkruisen, was in de laatste eeuwen door de helft van de Europese legers bezocht geweest, o.a. in de Tachtigjarige Oorlog door de Spanjaarden en de Nederlanders.  De toenmalige forten waren slechts aarden wallen met grachten er rond.  Een plezierverblijf was het zeker niet voor de Spanjaarden in hun tentjes die de warmte van hun land gewoon waren.  Wij konden het die dag beamen, het was berenkoud.  Iedereen was dan ook goed ingeduffeld en voorzien van waterdichte botten, weliswaar goed bestand tegen de nattigheid, maar niet tegen de koude.

    Stefaan verschafte ons allerlei weetjes, wie wist er dat er in onze streken malaria heerste tot in de jaren 1870 ?  Toen werd dat polder- of moeraskoorts genoemd. De Damse Vaart is indertijd uitgegraven door Spaanse krijgsgevangenen.  Onze Duitse vrienden zijn hier ook twee keer gepasseerd.  Getuige daarvan de bunkers uit WOI in het natuurreservaat, waar nu vleermuizen vertoeven.

    Stefaan nam ons mee naar een zijwegeltje, weg van het drukke verkeer.   Hij bleef even staan bij een struik met sleedoornbessen, die nu ook voor bepaalde ginsoorten gebruikt worden.  Als je er veel van eet, krijg je een echt “pruimenmondje”, zei hij, want de sleedoornpruimpjes zijn tamelijk zuur…  Daarnaast groeide broederlijk of moet je zeggen “zusterlijk” een struikje met rozebottels.  Hij liet ons ook een iepen- of olmenboompje zien, waarvan de takken vroeger in het kippenren gebruikt werden.  Tegenwoordig worden olmenbomen slechts tussen de 10 en de 15 jaar oud, dit van wege een schimmel die indertijd tijdens WOI vanuit Oost-Europa meegekomen is met hout dat men voor de loopgraven gebruikte.  Olmenhout werd vroeger heel intens gebruikt, het is heel hard, slijtvast en bestand tegen rotting.  Zo is een groot stuk van Amsterdam gebouwd op palen van olmenhout, ook de tandwielen in de molens en de assen waar de molens op draai(d)en, zijn van olmenhout.

    Zo trokken we verder het natuurreservaat in. We kwamen voorbij een scheve grenspaal met aan de ene kant de dubbele adelaar van de Oostenrijkers en aan de andere kant de leeuw van de Hollanders. Blijkbaar staat die paal in de weg voor de boeren, want elk jaar staat hij schever en schever. Iets verder, naast een haag, een dode ransuil.  Spijtig voor dit mooie diertje.

    Stefaan liet ons ook aan boerenwormkruid rieken, vroeger gebruikt in veevoeder om de koeien te ontwormen.  En wat goed is voor de koe, moet ook goed zijn voor de mens, want tegenwoordig wordt dit weer in pannenkoeken gebruikt.  Misschien een ideetje voor bij een volgende pannenkoekennamiddag ? Gratis ontworming, toch mooi meegenomen, niet ?

    Intussen werden we getrakteerd op prachtige wolkenformaties, dreigend en donker boven het kerkje van Sint-Anna-Ter-Muiden.  We kregen dan ook een fikse hagelbui over onze hoofden.  Om te schuilen nam Stefaan ons mee naar een kijkhut (een cadeautje van Europa) van waaruit we de rest van het natuurreservaat konden observeren.

    Van hieruit kon je uitkijken over poelen (zonder vogels) en Duitse bunkers uit WOI. Om de vleermuizen daarin niet te storen, wordt er tijdens de winter niet meer naar binnen gegaan. Met een groep, zeker zoals Liever Gelijkers, zou de temperatuur te veel stijgen en worden ze wakker.  Links daarvan ligt nog een stuk van het oude fort Sint-Donaas, nu nog in het bezit van een jagersfamilie waar men mee in onderhandeling is om dat gedeelte nog aan te kopen.  De boeren mogen het reservaat gratis gebruiken, maar moeten zich houden aan de “natuurregels”.  Er mogen maar twee koeien per hectare voor de begrazing op komen.  Het enige wat ze niet mogen doen, is bemesten, maar deze is hier in de landbouwgebieden sowieso minimaal.  Omdat dit permanent, historische graslanden zijn, mag het land ook niet omgeploegd worden.  Stefaan wees nog restanten aan van een 17e eeuwse versterking van een Hollandse fortenbouwer, Van Coehoorn. De zogenaamde “Zwaluwstaart” van Van Coehoorn, zodanig gebouwd, dat men nooit de eigen manschappen kon raken.  Zoals reeds eerder vermeld, moet je je van die forten niet veel voorstellen, dat waren gewoon aarden omwallingen met een gracht er rond. Erboven op werden meidoorn- en sleedoorntakken geplaatst.

    Meidoorn- en sleedoornhagen worden hier nu ook terug aangeplant om de boomkikkerpopulatie aan te zwengelen.  Stefaan sprak dan ook constant over zoveel “roepende mannetjes” ginder en zoveel daar.  Ondanks zijn bescheiden afmetingen zou dit kikkertje een enorm stemgeluid hebben, “een vreselijk grote kleppe”, volgens Stefaan.

    Een minder aangenaam beest, een exoot, meegekomen vanuit de Damse Vaart en dat nu in alle sloten in de polders zit, is de Amerikaanse rivierkreeft.  Deze eet letterlijk alles, van de larven van onze amfibieën tot alle vegetatie die hij tegenkomt.  Een andere exoot is de roodwangschildpad, een agressieve vleeseter met een papegaaienbek, die zelfs vingers kan afbijten.  Er zijn verhalen van eenden die met poot en pluim opgegeten werden als ze in bepaalde poelen landden. Ze kunnen het natuurlijk niet meer navertellen.

    Terug buiten vertelde Stefaan ons dat we in feite op het vroegere stort van Westkapelle staan, waarover men een dikke laag klei gestort heeft. Hij liet ons ook plantenexoten zien, zoals de Japanse duizendknoop die bijna niet uit te roeien is.  Hij vertelde over de schermbloemigen, zoals de berenklauw waarvan het sap in combinatie met de zon brandwonden kan veroorzaken, in feite alle schermbloemigen, tot onze grote verbazing ook peterselie en (de bladeren van) pastinaak.

    Alle schermbloemigen zijn fototoxisch, om het met een geleerde naam te zeggen.

    Van smeerwortel zou je levercirrose kunnen krijgen, lap, daar gaat ons alcoholarm dieet.

    Zo kwamen we terug op ons verharde wegeltje waar we deze rondleiding beëindigden.

    We bedankten Stefaan voor zijn deskundige uitleg, we hadden immers weer heel wat bijgeleerd en gingen op zoek naar een etablissement om onze natuurwandeling in de warmte af te sluiten.

    Sommigen togen naar huis, anderen gingen hun heil zoeken in Sluis.   In de tearoom Ter Kade in Sluis, verwenden we ons zelf met appelbeignets, wafels met slagroom of chocoladesaus, cappuccino’s en andere verwenkoffies.

    Het was een leuke namiddag, gelukkig bijna geheel gevrijwaard van winterse buien. De natuurwandeling was voor sommigen misschien een beetje te kort, maar ja, van het goede heb je altijd de indruk dat je daarvan nooit genoeg kunt krijgen.

    Tot een volgende !

 

Zaterdag 4 juli 2015 – Barbecue

  • Dat ons Eindejaarsfeest in Blankenberge zo’n succes zou worden, had niemand kunnen voorspellen.

    Nochtans had ik mij voorgenomen er mij dit jaar eens niets van aan te trekken en op het gemak Nieuwjaar te vieren, op mijn eigen.

    Natuurlijk kon ik weer niet aan die smekende ogen van Peter weerstaan en arrangeerde ten langen leste toch nog onze formule van vorig jaar in Blankenberge.

    Dit keer kende onze oproep niet zo’n succes.  Toch eindigden we met 16 man van Liever Gelijk om samen Nieuwjaar te vieren.  Ergens ook goed dat onze groep kleiner was dan vorig jaar (toen waren we met zo’n 25), je had op die manier ook makkelijker contact met iedereen.

    We zaten ook gezellig samen aan één grote tafel, heel mooi gedekt (met stoffen servetten).

    Erwin van hotel Bach heeft ons, als de ideale gastvrouw, opnieuw in al zijn perfectie onthaald.  Warm en gemoedelijk werden we weer verwelkomd in zijn stijlvolle art-déco hotel in de Vissersstraat.

    Met een groepje gingen we, zoals vorig jaar, de stad verkennen, op zoek naar een gelegenheid om een pré-aperitief te nuttigen.  Dat vonden we in de brasserie op het Oosterstaketsel.

    Een heel gezellige plek waar je door de ramen heen de zee kon bewonderen in al zijn onstuimigheid.  Het gaf ons het gevoel midden tussen de golven te zitten, weliswaar zonder zeeziek te worden.  Na een paterke voor sommigen, waagden enkelen zich opnieuw aan de picon, en vervolgens nog een tweede….  De fond van onze geweldige avond werd waarschijnlijk daar gelegd.

    Iedereen tekende tegen 19u present om zich naar hotel José te begeven voor het diner. We werden verwelkomd met hapjes, warm en koud, en een glaasje cava.

    Nadien een carpaccio met “Faux gras” en rucola.  Frank, als vegetariër, kreeg een mooi bordje met gerookte zalm in dezelfde vorm als de carpaccio.

    Vervolgens een pittig soepje met garnaalballetjes en witloof.

    Iedereen pochte over de  vislasagne van kabeljauw en St.- Jacobsmossel met tapenade van paddenstoel en spinazie.

    Vervolgens een verfrissend sorbetje van limoen.

    Als hoofdschotel hadden we everzwijn met wildsaus, savooi en pastinaak en amandelaardappeltjes.  Frank liet de everzwijnen liever in de bossen rondhossen en bezondigde zich aan een vegetarische cordon bleu.

    Het dessertenbuffet was om U tegen te zeggen, chocomousses, verschillende bavaroises, profiteroles…

    Tussen de gangen door werden we getrakteerd op onze levensliedkunstenaar Frank Valentino.

    Wie had ooit gedacht dat we met zoveel vuur mee zouden zingen op liedjes zoals “In de stille Kempen, Tulpen uit Amsterdam, In dat kleine cafeetje aan de haven…”

    Ik weet niet wat het was, ik weet niet hoe het kwam, maar de ambiance en het goed gevoel zaten er kilometersdiep in.  Ik moet wel toegeven dat aan onze tafel de meeste ambiance heerste en dat we wel de gangmakers waren voor dit prachtige feest.  Wat is er mooier dan dat iedereen rond de tafel hand in hand samen zit te mee te zingen uit het diepste van zijn hart.  Wat een gevoel van verbondenheid dat er heerste !  Op zulke momenten voel je je écht dankbaar en gelukkig dat je bij zo’n bende zit.  En om het nog eens te zeggen, op zulke momenten overstijg je ook de reden die aan de basis ligt van onze vereniging (nl. onze homoseksualiteit) en voel je  je verbonden met elkaar als mens tout court.

    Ik wil zeker niet vergeten te vermelden, dat onze garçons van vorig jaar, nl. Tommeke en Simon, weer van de partij waren.  Tommeke had zijn beminnelijke glimlach nog niet verloren en Simon was dit jaar een beetje meer ontdooid.  Getuige daarvan was dat hij na middernacht duchtig meedanste met onze bende.  DJ van dienst was de zoon van Frank Valentino en hij wist wel hoe hij zijn gay publiek moest behagen.

    Sommigen kropen vroeger in bed dan anderen.  ’s Anderendaags werden we immers verwacht aan het ontbijt bij Erwin in hotel Bach.  Onder het alziend oog van the queen met haar wuivende handje en ondersteund door klassieke aria’s en opera’s genoten we van een lekker en verzorgd ontbijt.  Erwin was steeds attent om de koffie of het sinaasappelsap bij te vullen.  Als een echte hofdame dwarrelde hij rond de tafels om het zijn gasten naar de zin te maken. We hebben ook een historisch moment mogen meemaken.  1 januari 2013 was immers de dag dat hij op pensioen ging.

    De koffers werden dra gepakt en beneden in de hal gezet.  En na afscheid genomen te hebben van Erwin, gingen we nog met een aantal naar de brasserie op het Oosterstaketsel om ons week-end in alle schoonheid af te sluiten.

    Aan een picon waagde zich dit keer niemand.

    Tja, gaan we eind 2013 nog eens naar Blankenberge ?  Dat is de vraag die door mijn hoofd spookt.  Ik weet niet of we die sfeer nog zullen evenaren ?

    Maar ja, elk jaar is weer anders, dus we zullen wel zien hoe we ons dan gaan voelen.

    Wat ik wel weet is, dat ik de smaak van picon toch te pakken heb 😉

    En om met Gerard Walschap af te sluiten : “Dag mensen, dat ’t welga!”

  • Deel 1 : 1 – 100

    Deel 2 : 101 – 179

 

Vrijdag 8 mei 2015 – Film “Xenia”

  • Een filmavond in de Budascoop met Liever Gelijk en geassocieerden. Dit keer voor een Griekse Gay road movie uit 2014 van de Griekse regisseur Panos H. Coutras.
    De commentaren achteraf waren zeer gevarieerd. Smaken verschillen immers ! Toch wordt op die manier ons verenigingsleven levendig gehouden. Het zou immers maar een saaie boel zijn, moesten we allemaal hetzelfde denken.
    De film gaat over de perikelen van twee broers, Danny, de ongeremde jongere en Ody (Odysseas) de meer bedachtzame en voorzichtige oudere broer. Zij willen na de dood van hun (Albanese) moeder hun Griekse vader vinden (de onnoembare) die zijn familie jaren geleden in de steek heeft gelaten. Op die manier willen ze in Griekenland kunnen blijven doordat ze door de erkenning van hun vader de Griekse nationaliteit zouden krijgen.
    Op hun tocht ontmoeten ze allerlei kleurrijke personages, zoals de eigenaar van de nachtclub “Paradiso”, een Griekse versie van onze eigenste Eddy Wally.
    Ook het witte konijn van Danny loopt als een rode, sorry, witte draad doorheen het verhaal.
    Nu eens levend, dan weer als pluche dier, personifieert het beestje het verlangen naar geborgenheid en liefde voor de jonge Danny, die wel zeer opvalt door zijn buitensporig nichterig gedrag. Ody is dan weer de rots in de branding die zijn jongere broertje uit allerlei netelige situaties moet halen. En wie de film niet zo goed vond, werd wel getroost en beloond met het zicht op the naked body van deze Griekse god en dit vanuit alle hoeken en kanten. En dat die échte man ook gevoelig kan zijn, werd mooi én lang in scène gezet met diens vertolking van het liedje “tutt’al più” van de Italiaanse zangeres Patty Pravo. Deze mocht zelfs in een “cameo”, zoals men dat zo mooi omschrijft, haar gezicht, een waar toonbeeld van over de top plastische chirurgie, een paar “verstarde” seconden lang vertonen. “Ciao bello”, was dan ook het enige dat ze over haar opgezwollen lippen kon krijgen.
    Zoals jullie bemerken, kitsch en camp waren niet ver af. Deze stonden ook in schril contrast met de beelden van de economische en sociale situatie in het huidige Griekenland. Gezien vanop de daken leek Athene haast een troosteloze derde wereld stad met beelden die evengoed gefilmd konden zijn in de verloederde achterbuurten van steden in Zuid-Amerika of Azië.
    Toch kwamen er zeer mooie en poëtische beelden in voor. Zoals het bootje waarop onze twee broers al slapende in het maanlicht een riviertje afdreven, als in een sprookje gadegeslagen door herten, vogels, een vos en natuurlijk ook ons witte konijn dat wanhopig probeerde het bootje in te halen.
    De grasmat waarop Danny gelukzalig lag te slapen, veranderde als bij toverslag in een reuzengrote, behaarde borstkas (de natte droom van elke rechtgeaarde bear). Een zoete herinnering aan de mannenborst waaraan hij in zijn jeugd werd gekoesterd. Dat kwam ook weer mooi terug toen hij zijn slapende broer in zijn schoot had liggen en diens evenzeer behaarde borstkas en tepels, teder begon te strelen. Een zweem van incest en broederliefde krulde als een nevel neer vanuit het filmdoek. Je zou van minder wakker schieten !
    Ook geweld werd niet geschuwd in deze film. De raid van rechtse jongeren op buitenlanders en trimmende homo’s, het pistool waar Danny maar al te graag mee zwaaide en waarbij bijna een dode was gevallen.
    Maar eind goed, al goed zou je zeggen. Onze Ody had zijn geslaagde optreden bij de Greek Star wedstrijd, en ook al was de uitslag onzeker, in onze gedachten had hij die zeker al gewonnen. De vader die zijn zonen zou erkennen en last but not least de ontmoeting van Danny met zijn idool Patty Pravo.
    De film eindigde zoals hij begon, on the road.
    Natuurlijk moesten al die emoties doorgespoeld worden en werden we door Lieve van de Budascoop getrakteerd op een Apero Spritz. De film kende die avond zeker succes, want Lieve wist te vertellen dat er 45 man in de zaal zaten, zeker niet slecht voor een éénmalige vertoning, daaronder 34 Liever Gelijkers en aanverwanten.
    We hebben het natuurlijk niet met één drankje gehouden en togen naar de overkant, naar het Eiland waar een aantal binnen hun toevlucht zochten, en waar 19 van ons zich buiten op het terras installeerden. Toen het nadien begon te druppelen togen ook die naar binnen.
    En zoals gewoonlijk duurde ons samenzijn in het café langer dan de film zelf. Toen we al lang na middernacht terug naar buiten trokken, kregen we van de cafébaas nog allemaal een goede nacht kus en een prettige feestdag toegewenst.
    Van gastvrijheid of op zijn Grieks “Xenia” gesproken.