Terugblik 2020

Zondag 13 september 2020 – Wandeling Baai van Heist

  • Die zondag 13 september, een eerste belofte aan het nazomertje van 2020.   We verzamelden met 22 man aan het kleine vuurtorentje in Heist, op het einde van de Zeedijk.

    Geen onaardig aantal deelnemers voor deze activiteit tijdens de huidige corona-periode.

    Onze twee gidsen, Luc en Omer, hadden we al gespot, ietsje verder aan het begin van het natuurgebied. Inderdaad twee gidsen, immers elke groep mocht maar uit maximum 15 man bestaan.  Voor een rondleiding is dat eigenlijk optimaal en daarom verdeelden we ons volkje in twee groepjes die beide een andere richting uitgingen.

    Een rondleiding valt of staat met een goede gids.  Onze twee metgezellen waren zeker o.k., maar op het einde had iedereen toch een beetje hetzelfde gevoel, nl. een beetje oververzadigd te zijn van de vele planten- en diersoorten die vernoemd werden.  Op zich wel goed, want wie had ooit gedacht, dat op dat kleine stukje natuurgebied zoveel fauna en flora zou voorkomen.  Moesten we zonder gids erdoor gelopen hebben, we hadden het meeste over het hoofd gezien.

    Waarschijnlijk zullen ze alle twee ongeveer wel hetzelfde gezegd hebben, weliswaar in omgekeerde volgorde.  Hierna volgt het verslagje zoals Luc ons zijn toelichting gegeven heeft:

    We staan hier aan de Baai Van Heist, eigenlijk geen echte baai, maar een aanvulling van zand rond de grote dam.  Het gevolg was, dat hier een grote vlakte ontstond die bij de mensen niet zo gegeerd was.  Vanaf de strandkotjes aan de Zeedijk was het daardoor een kleine 20 minuten gaans tot aan de laagwaterlijn.

    Daarbij werd er onder het zand nog een pijpleiding gelegd voor Fluxus.  De aannemer diende na de werken alles in zijn oorspronkelijk staat te herstellen, maar zag het niet zitten om het afbraakmateriaal te verwijderen.  Hij groef dus een diepe put aan de zeekant, met de gedachte, als het water zou opkomen, alles in die put zou glijden.  Wat ook gebeurde.  Zand erover, maar ja, het gevolg is ook, dat je er gemakkelijk in kunt zinken.   Luc vertelde dan over de 2 nonnetjes, in de jaren zeventig, ze hadden het niet gezien, dat er ginder een gevaarlijk stuk lag en zijn er dus ingesukkeld. Het lukte niet om ze er met de brandweer uit te halen en uiteindelijk moest de helikopter eraan te pas komen. Een onvoorziene Hemelvaart.

    Als gevolg daarvan heeft men er palen gezet waarachter niemand mocht komen.  Dat was de ideale gelegenheid voor de vogels om te daar broeden, o.a. ook voor een paar hele zeldzame soorten, volgens Luc een unicum op wereldvlak: de Dwergstern en de Strandpluvier.

    De nonnetjes waren dus de oorzaak van het begin van het natuurgebied.  Het is tot op dit ogenblik het enige strandreservaat in België.  We hebben 64 km kust en slechts 500 meter is er voor de natuur gereserveerd.

    Luc vroeg ons, zijn er van die moderne mannen bij jullie die kunnen koken?  Iedereen zei natuurlijk volmondig ja. Blijkbaar horen wij dus bij de moderne mannen 😉

    Hij koos twee personen uit (Jan O. en Jan H.) die op een bepaald kruid moesten kauwen, heel fijn, en daarna pas doorslikken. Het had een pikante, peperachtige nasmaak. Luc vertelde dan, dat zij nu een lichtgiftige plant hadden ingeslikt. Heel veel planten zijn in feite giftig.  Je proeft het niet in je mond, maar je wordt het pas gewaar wanneer je het doorslikt.

    Paddenstoelen bv. zijn natuurlijk heel lekker, o.a. ook de Groene Knolamaniet, een van de meest giftige paddenstoelen ter wereld.  Eerst word je niets gewaar tot een kleine 14 dagen daarna, maar dan is je lever volledig naar de “wippe”.

    Luc wees ons dan een plant aan en vroeg ons wat dit was.  Natuurlijk wist iemand uit onze groep dat dit een aspergeplant was. En inderdaad, de asperge is een duingewas, omdat deze gedijt op een zandige ondergrond.

    Verder nog een heel giftig en dodelijk plantje. 15 Jaar geleden stond dit hier nog niet, maar is nu reeds in heel België te vinden. Van Zuid-Afrikaanse oorsprong en het bevat blauwzuur, het Bezemkruiskruid. Het inlands kruiskruid is hier ook en dat is even giftig.

    Dieren blijven er instinctief af.  Enkel als het gehooid en gedroogd moest worden, kan het door het vee opgegeten worden, omdat ze het dan niet meer herkennen, met alle gevolgen van dien.

    Luc wees ons verder nog op het Helmgras, dat zeer goed tegen de droogte kan.  Het heeft dezelfde eigenschap als rogge, nl. dat het een heel klein zwammetje laat groeien in zijn vruchtaren. Dit kleine zwammetje is zo dodelijk giftig, dat in de Middeleeuwen hele dorpen eraan ten onder gingen. Dit is het Moederkoren, precies een klein zwart zaadje tussen de aren van het Helmgras.

    Volgens Luc is dit de natuurlijke LSD. Minimale hoeveelheden worden gebruikt in de geneeskunde.

    We kwamen nog een exoot tegen, nl. de Aziatische Rimpelroos, zou zeer lekker ruiken.

    In de verte zagen we een natuurlijke opening in de duinen.  Dit noemen we een zwin.  Het Zwin in Knokke is dus geen unicum.  Een Mui is ook nog zo’n fenomeen aan de kust. Je hebt namen zoals Sint-Anna-Ter-Muiden, Arnemuiden ;  je hebt een aantal zandbanken aan de kust, het water komt binnen, hoopt zich daar achter op en stroomt er langs één klein kantje weer naar buiten, dat kantje noemt men een Mui.

    Luc wees ons nog op het Zeepkruid.  Zeepkruid bevat saponinen, ideaal om vet van je handen te kuisen. Verder zagen we op ons pad nog Melkkruid, dat op de overgang van zout naar zoet (water) groeit.  Ook de vele slakjes op de planten vielen ons op.  Dit waren zandslakjes die langs de steeltjes ophoog kruipen, omdat het daar frisser is. Op de vraag of hier ook zeekraal was, wees Luc in de verte: de meest nabije grijsgroene strook was het Kleine Schorrenkruid, de donkergroene strook erachter was Zeekraal.  Het eerste is heel giftig, het tweede is eetbaar.

    We zagen ook een omheining staan.  Het was ooit de bedoeling om daarachter schapen te zetten voor de begrazing, maar dat was geen succes.  De omheining hield de schapen niet tegen en daarbij waren ze ook niet veilig voor de vossen.

    We spotten de mooie gele bloemen van de Theunisbloem. Daarnaast de jonge rozetjes die het volgende jaar bloem zouden dragen, een tweejarige plant, dit jaar groeien, volgend jaar bloeien.  Verder nog de Duindoorn, met zijn oranje besjes, vol vitamine C en ook met een beetje alcohol, dat ook door de vogels geapprecieerd wordt.  We kennen allemaal wel onze inheemse Ligusterhagen.  Wel hier stond ook Wilde Liguster.  Het verschil met de ons bekende soort is, dat de blaadjes van de wilde langwerpig en scherp zijn.

    Dan kwamen we aan op het strand.  90% Van de schelpen die je er vindt, zijn fossielen, maar er zijn er natuurlijk ook een aantal recente, zoals bv. de Japanse Oester.  Ook weer een exoot.  Op de vraag of deze eetbaar is, raadde Luc het toch af om dit te doen, wegens de zware metalen die hier in de omgeving van de haven van Zeebrugge aanwezig zijn.

    Verder nog de Kokkel, een schelpensoort die hier in het slib leeft.  Wel eetbaar, vooral in de Paella’s in Spanje.

    Luc leerde ons nog de linker- en de rechterklep te onderscheiden bij twee schelpenhelften: je houdt het schelpje met de top naar boven, aan de binnenkant zie je aan weerszijden twee vlekjes, de spierindrukken, daar waar de spieren vastzaten.  Je ziet dan ook hoe groot het beestje, was aan de mantellijn. En dan zie je nog een “inbochting”.  De kant waar dit zit, bepaalt de linker of rechterklep.

    We vonden ook hier en daar een fossiele oester.  Je zag er overal kleine gaatjes in, gemaakt door wormpjes die in de kalklaag van de schelp boren om er bescherming te zoeken, o.a. ook door boorsponsjes, die er houvast in vonden, een perfecte recyclage.

    Het kan niet op, Luc legde ons nog het verschil uit tussen een Amerikaanse boormossel en een inheemse.  De onze is veel ingewikkelder.  Een Amerikaanse heeft maar twee klepjes, de onze heeft er drie. Schelpen worden ingedeeld volgens hun stadia van ontwikkeling, de keverslakken, de twee-kleppigen, de stoottanden, de buikpotigen, zoals de gewone slakken, en als laatste hebben we de inktvissen. Daar zit de schelp van binnen, nl. dat witte schuimpje.  Als een inktvis dat vult met water, wordt ze zwaarder en gaat ze naar beneden, of ze pompt het eruit en kan ze naar boven.  Het schuimpje dient daarvoor, maar natuurlijk ook voor de stevigheid.

    Dit werd vroeger ook gebruikt bij edelsmeden.  In de juweliersschool wordt nog steeds de techniek aangeleerd om die schuimpjes te gebruiken als mal.  Men kan er een bepaalde vorm insnijden en vervolgens vullen met vloeibaar goud of zilver.  Op die manier kan men juweeltjes maken.  Deze techniek wordt niet meer gebruikt omdat er te veel verlies op zit, maar wordt toch nog steeds aangeleerd.

    Luc liet ons nog een haaientand en een roggetand zien, fossielen die hier ook gevonden worden. We zagen ook turf her en der verspreid liggen over het strand, een product afkomstig van samengeperst veen en vroeger gebruikt als brandstof.

    Daar kamen we ook de tweede groep tegen, maar na slechts een hele korte verbroedering, gingen we weer uit elkaar.

    We waren weer in de “bewoonde” wereld aanbeland en spotten daar andere fauna op het strand, met name de zonnekloppers die in de beschutting van lage duintjes van de laatste zonnestralen genoten. We voelden ons daar wel een beetje als vreemde eenden in de bijt. Een strand wordt immers toch gebruikt om te zonnen en niet als onderzoeksterrein?  Maar ja, er lag geen enkel exemplaar dat de moeite was om verder te bestuderen en we sloegen daarom terug een rustig paadje van het natuurdomein in.

    Daar gaf Luc nog zijn uitleg over de Blauwe Zeedistel: deze behoort echter niet tot de distelfamilie, maar is eigenlijk een schermbloemige.  Hij groeit op de stroken waar de zoute, vochtige lucht van de zee neerslaat op de duinen.

    Verder gaf hij nog een demonstratie, die de andere gids, Omer, waarschijnlijk ook gegeven heeft, nl. wat water gieten over “ingeslapen” Sterrekruid.  Dadelijk gingen de groene kroonblaadjes open. Quel miracle!

    En zo waren we aan het einde van onze tocht gekomen en Luc aan het einde van zijn Latijn.

    We bedankten hem voor zijn kundige gidsbeurt en haastten ons de andere groep achterna die al een heel tijdje voordien een natje was gaan zoeken op de Zeedijk.

    Wij vonden er ook eentje, ietsje verder.

    Natuurlijk hadden sommigen zin om nog een restaurantje mee te pikken.  Nog met 10 man vonden we een plaatsje in de herberg @ Sea1.

    Sommigen namen een Bouillabaise, anderen dan weer garnaalkroketten of een visschotel, om in de sfeer van de zee te blijven.

    Het was een mooie afsluiter van weer een geslaagde activiteit.

    Nadien wandelden we over de Zeedijk terug richting auto’s.

    De lichten van de haven van Zeebrugge wierpen een zachte gloed over de golven, het strand en natuurlijk ook over het nabijgelegen natuurreservaat in de Baai van Heist, daar waar we een paar zonnige uren geleden nog vrolijk rondliepen.  Nu benadrukte de schemering de stilte van de avond.

    Een ideale plek om afscheid te nemen.

    Tot een volgende!

Zondag 16 augustus 2020 – 14 uur – Fotozoektocht met de fiets

Vrijdag 17 juli 2020 – Film : été François Ozon

Donderdag 27 februari 2020 – “The End of the Century”

Zaterdag 22 februari 2020 : Bollywooddance Gent

Zaterdag 15 februari 2020 : Radiomuseum Ichtegem

  • Die afgesproken zaterdag 15 februari werden we verwacht in het Radiomuseum van Karel Verstringe in Eernegem.

    Karel verzamelt al vanaf zijn 15e radio’s. Het museum zelf opende op 5 september 2003 zijn deuren.

    In de aanloop naar het evenement zwol het aantal deelnemers steeds meer en meer aan. Op een gegeven ogenblik zaten we ver boven het verwachte aantal van 20 en moesten we zelfs mensen afzeggen.

    Maar toen de knoop doorgehakt werd om de groep in tweeën te splitsen, kon gelukkig iedereen mee die mee wou.

    Van de oorspronkelijk 32 ingeschreven deelnemers, bleven er op het einde van de rit nog 28 over. Een mooi aantal.

    We verzamelden op de Markt van Eernegem aan het Marktkaffee waar de tweede groep een glaasje gingen proeven, terwijl de eerste groep naar het museum vertrok.

    Eenmaal aangekomen werden we heel vriendelijk en enthousiast ontvangen door Karel en zijn vriend Bart. Zoals altijd is ons wereldje klein, want sommigen kenden Bart nog van zijn tijd in het G.O.C. in Kortrijk.

    Dit keer stond hij in voor de vestiaire en kon Karel zijn passie voor de radio aan de man brengen.

    Hier volgt zijn enthousiast betoog:

    Dit is niet zo maar een radiomuseum, maar wel gespecialiseerd in één bepaald merk, nl. SBR (Société Belge Radio Electrique) het grootste merk dat ooit in België heeft bestaan. Het werd opgericht in 1922 en voorzag België van de nodige communicatiemiddelen (zenders, ontvangers en omroepradio’s) doorheen de jaren. Er werd tot eind de jaren ’60 nog veelal geproduceerd door SBR zelf. Vanaf de jaren ’70 produceerden andere bedrijven waarbij de producten het SBR-label aangemeten kregen. Deze trend zette zich tot in de jaren ’80, ’90 en ook daarna verder door. Toen SBR overgenomen was door Philips, verkocht deze nog steeds verder onder het SBR-logo. Eind 2002 was het met SBR echter definitief gedaan.

    Wat was nu de bedoeling van dit bezoek? Karel zou ons allemaal terugnemen naar de tijd van toen, naar het prille begin van de radio. Hoe is radio ontstaan en geëvolueerd, alsook de Belgische radio-omroep. Hoe is de radiogeschiedenis geëvolueerd en wat is er radio-technisch gezien allemaal veranderd?

    Tegenwoordig staan we er niet meer bij stil. We draaien het knopje om en geluid weerklinkt uit de radio. Maar dat is niet altijd zo geweest.

    Radio is een communicatiemiddel. Vroeger was er de tamtam in Afrika en bij de indianen manipuleerden ze er rookpluimen. Hier gebruikte men ook zichtbare signalen zoals bij het luchtverkeer of bij de spoorwegen. Maar voor communicatie was men hier veelal aangewezen op telegrafie met de gebruikelijke morsecode.

    Op een gegeven moment was er in Italië een jonge kerel, nl. Marconi. Hij staat nu in de radiowereld gekend als de uitvinder van de radio. Maar ook Nicola Tesla was niet onverdienstelijk, want deze deed eveneens proefnemingen met draadloze communicatie, maar zijn labo brandde spijtig genoeg af. In Rusland had je dan ook nog Popov. Deze 3 mensen stonden aan de wieg van de radio. Radio was in het begin in feite een hoogspanningsbobijntje dat vonken kon opwekken, waarbij de ene kant van een vonkbrug verbonden was met aarde en de andere kant met een antenne. D.m.v. een drukknop (morsesleutel) kon je signalen de lucht insturen aan de hand van morse. Voilà, men had een zender. Maar zonder een ontvanger is men er eigenlijk niets mee. Marconi heeft dan ook nog een ontvanger ontwikkeld. De Italiaanse koning liep van Marconi’s concept niet warm, maar deze vond wel gehoor bij de Engelse koning. Deze was overenthousiast en Marconi mocht er de eerste radiofabriek oprichten om zijn zenders en ontvangers te produceren.

    Deze evolutie is echter pas na 1912 in een stroomversnelling gekomen door het gebeuren rond de Titanic.

    In de Titanic bevond zich een “marconist”. Maar wat is er nu het verschil tussen een marconist en een telegrafist? En Karel schudde een grapje uit zijn mouw: “Een telegrafist doet het op het land, een marconist op een schip.”

    Alle twee doen ze het zelfde! Als het schip dat zich het dichtste bij de Titanic bevond ook in het bezit was geweest van een communicatie-uitrusting, dan was de geschiedenis heel anders uitgedraaid en zouden er meer mensen gered geweest zijn.

    Toen heeft men besloten dat er meer werk van communicatiemiddelen moest gemaakt worden.

    De eerste radio’s die ontstonden waren eigenlijk kristalontvangers. Het kristal was het signaal detecterend element.

    Wat was er nodig voor een goede radio: een antenne, een aarding, met daartussen een spoel, een detector, condensator en een koptelefoon. De ontvangen elektriciteit uit de ether gaat via de antenne door de spoel naar de aarde. Over de spoel ontstaat er een spanning waarop zich de muziek bevindt. Het kristal zorgt ervoor dat enkel het muzieksignaal doorgaat naar de koptelefoon en dat de spanning wordt kortgesloten door de condensator. De radio haalde de elektriciteit uit de ether om te kunnen functioneren.

    Karel liet ons een kristalontvanger van het eerste uur zien (1914) en daarbij ook 2 exemplaren door SBR gemaakt van het jaar 1924 en 1925. Hij toonde ons het kristalsteentje dat duidelijk zichtbaar was op de ontvanger.

    Radio evolueert en in 1906 vond een Franse uitvinder “Lee De Forest” de radiolamp uit.

    Bij de oudste radio’s zijn de lampen er meestal bovenop zichtbaar. In het begin (omstreeks WOI) waren het de militairen die van deze uitvinding gebruik mochten maken. Pas na WOI kon men als burger een radio bezitten mits de nodige vergunning.

    Karel wees ons enkele vroege exemplaren aan van het jaar 1920, ’21 en eentje van SBR van het jaar 1922.

    Vroeger bestond de radio uit verschillende eenheden met de gebruikelijke koptelefoon. Er waren meerdere spoelen voor de ontvangst. Vroeger werd de “ontvangstband” in stukken gekapt. Je had spoelen voor elke stukje “band”, m.a.w. iedere spoel besloeg dus een bepaalde bandbreedte. Men moest dan ook van spoel wisselen om andere zenders te kunnen ontvangen. Dat was een hele poespas.

    De ontvanger met afstemknop was verbonden aan een antenne en een aarding. Daarbij was er de detector ook met afstemknop. Beide moest men op elkaar afstemmen, m.a.w. de actie- en reactieknop. De volgende was een hoogfrequent versterker en als laatste de laagfrequent versterker. Dit waren de vier elementaire eenheden, die heden ten dage nog steeds in een radio toepasselijk zijn. De aanwezige lampen hebben elektriciteit nodig om te gloeien en daarbij te werken. Het gloeien zorgt ervoor dat het gas opgewarmd en daarbij geleidend werd. De lamp fungeerde als een versterkend element, als voorloper van wat een transistor nu ook doet. Hoe meer lampen de radio bevatte, hoe duurder die ook was. Karel liet ons even raden hoeveel een radio vroeger kostte begin de jaren ’20. In vergelijking met tegenwoordig was dat toen evenveel als een auto. Dus enkel rijke burgers konden zich een radio permitteren.

    Vanaf de jaren ‘22 kwamen pas de eerste luidsprekers op de markt. Tot dan toe kon slechts één persoon met een koptelefoon de radio beluisteren. Met een luidspreker kon voortaan de hele huiskamer meeluisteren. Karel liet ons ook even horen hoe een uitzending van toen klonk. We hoorden een heel metaalachtige geluidsfragment van Radio-Belgique.

    Omstreeks 1924 begonnen de eerste elektriciteitsnetten op te komen en dat natuurlijk eerst in de grote steden.

    De eerste netspanning die opkwam was gelijkspanning. Daarna was er wisselspanning die nog steeds van toepassing is.

    Het nadeel van gelijkspanning was dat deze na een bepaalde afstand – met een aantal gebruikers ertussen – op het einde van de rit fel verzwakt was bij de eindgebruikers. Dus deze heeft niet lang bestaan.

    Het voordeel van de wisselspanning – erna in gebruik genomen – was dat men deze kon transformeren. Met een transformator op de “lijn” kon men de spanning zowel verhogen of verlagen.

    De mensen die in de beginne een radio kochten – want die werkten toen enkel op batterijen – bleven er zo lang mogelijk gebruik van maken want het was ooit een dure aankoop geweest. Hans vroeg hoe men die batterijen vroeger oplaadde toen er nog geen elektriciteit was? Met een dieselgroep die elektriciteit maakte werd de batterij of accu opgeladen. Meestal waren het garagisten die zo’n groep hadden staan. Garagisten waren dan ook dikwijls, naast elektriciens en muziek-grammofoonwinkels, diegenen die ook de nodige stappen hadden gezet om radio’s te verkopen. Aparte voedingseenheden werden geproduceerd om de batterijtoestellen op het elektriciteitsnet te doen werken.

    Omstreeks 1928 kon men kiezen uit een kleinere radio, veelal volgens het oude systeem (rechtuitontvanger) of een grote broer, volgens het nieuwe systeem (superheterodyne). Veelal nu nog gebruikt in de radio.

    Vanaf 1929 komen de eerste netstroomontvangers op de markt. Radio evolueerde en de fabrikant speelde er gretig op in. De voeding zat al bij het radiogedeelte in één en dezelfde kast, maar de luidspreker was nog steeds apart.

    In 1930 zit de luidspreker, het radiogedeelte en de voeding samen als een geheel in de kast. Voorheen sprak men niet van een radio, maar van een “poste de TSF” (Télephone sans fil= telefoon zonder draad).

    Alle radio’s speelden toen op lange- of middengolf. De korte golf was toen voor de radiozendamateurs. Met korte golf kon men echter veel verder uitzenden en wereldwijd ontvangen. Dat is men dan ook explosief gaan ontwikkelen. De missionarissen in het verre Belgisch-Kongo maakten daar dan ook dankbaar gebruik van. Deze korte golf radio’s gingen dan

    mee diep de brousse in onder zeer variabele weersomstandigheden. Ze waren in metaal gemaakt en niet in hout want allerhande beestjes zouden er vlug weg mee zijn.

    De eerste technische verbetering van de radio – begin jaren ’30 – was dat men kon gaan afstemmen met één knop i.p.v. met twee. Een volgende technische verbetering was een afstemindicator om het afstemmen te visualiseren. Dat ziet men aan een “oogje” (ook wel eens toveroog genoemd) op de radio. In het begin was deze oranje, pas later kwamen de groene. Karel wees er nog eentje aan in de vorm van een spleetje.

    Een volgende stap was dat men afstapte van de cijfertjes die zich bevonden op de afstemschaal van de radio. Een eerste keer werden daarvan in de plaats stationsnamen vermeld.

    De eerste netstroomontvangers waren afgeronde (kapelvorm) & hoge (verticale) modellen. Vanaf ’35 werd de liggende (horizontale) vorm doorgevoerd. Die trend werd in de jaren ’40, ‘50 en ’60 verdergezet.

    In de jaren ’30 was het in Duitsland op politiek gebied onrustig. Een zekere mijnheer Hitler kwam aan de macht. Deze zag dat de radio een goed middel was om bepaalde dingen te verkondigen, ideaal om propaganda te verspreiden. Daarom moesten alle Duitse bedrijven indertijd (AEG, Siemens …) radio’s gaan maken. Die radiootjes waren allemaal hetzelfde en werden “Deutsche Kleinempfangers” genoemd (vertaald: volksontvangers). Karel had daar een paar mooie modellen van staan naast een buste van Hitler als verwijzing.

    Bij het uitbreken van de oorlog is de Belgische regering gevlucht en is men gaan uitzenden vanuit Londen (“Radio-Belgique”). De Duitsers wisten dat natuurlijk ook en begonnen stoorzenders uit te zetten, de zogenaamde “jammers”. Iedereen moest ook zijn radio inleveren. Karel vertelde dat alle radio’s van voor WOII die in het museum verzameld staan, radio’s waren die de oorlog overleefd hadden. Ze werden destijds voor de Duitsers weggestoken achter een dubbele wand, op een hooizolder, in een kuip ingegraven in de grond, enz…

    De Duitsers hebben gelukkig het onderspit moeten delven en die blijde boodschap konden we in een originele opname horen.

    Door de sterke ontwikkeling tijdens de oorlog, je had immers niet enkel een wapenwedloop, maar ook een wedloop op technisch gebied, werden de radio’s compacter, met betere en kleinere onderdelen. Zo kwam stilaan het jaar ’50 in zicht. De eerste televisies kwamen op de markt. Zoals vele merken heeft ook SBR een eerste televisie gemaakt. Een luxe-versie waarbij radio en televisie gecombineerd zijn, is dan ook een pronkstuk in het museum.

    Ook de eerste FM-radio’s kwamen op de markt. De fabrikanten waren voor met de productie, maar de zenders waren nog niet aangepast om in FM uit te zenden. Daar werd echter snel werk van gemaakt. Vanaf ’54 verschenen de eerste radio’s die in stereo konden ontvangen en daarbij ook de eerste stereozenders. En zo komt 1958 in zicht en de wereldtentoonstelling. De mensen gingen toen echt visueel gaan kijken op dergelijke expo’s wat er allemaal nieuw was in de wereld en spoedig op de markt ging komen. Toen werd ook de transistorradio gelanceerd.

    De lampenradio is nog blijven bestaan tot in 1965.

    De jaren ’70, met de analoge klankdragers zoals de cassettebandjes, vervolgens de videobanden, om te evolueren naar de een digitale klankdrager zoals de CD. Het nieuwe concept bevat geen storingen meer van een naald die kraste over een plaat en vooral geen geruis meer. Dan de klank- en beelddragers DVD, nu de Blu-ray … vervolgens het digitaal signaal over de kabel met behulp van een decoder waarmee men elk genre van muziek kon kiezen. Zo was de eerste internetradio geboren.

    Een stapje later zijn we stilaan in het huidige tijdperk en hoorden we over DAB en de nu al betere versie DAB-plus. Het medium dat men ons stilaan wil opdringen ter verdringing van de FM. Karel vroeg zich af of wij nog gaan meemaken dat FM volledig uit de ether gaat. Vele AM-zenders gaan of zijn stilaan uit de ether omdat het veel goedkoper is om via de kabel te gaan i.p.v. met grote (dure) vermogens uit te zenden. Het grote voordeel van digitaal ontvangen met DAB+ is dat we via de radio veel zuiverder zullen kunnen ontvangen – dan via FM – met het kristalheldere geluid van een CD. We zullen dan naar de radio kunnen luisteren naar elke gewenste muziek en daarbij ook nog eens onafhankelijk van vast geprogrammeerde tijdstippen naar het nieuws, het weer en de sport.

    Dat was voor Karel het einde van zijn verhaal.

    Wij dankten hem heel hartelijk voor zijn enthousiaste betoog en gaven hem (zelfs 2x) een warm applaus.

    Dan togen we terug naar het Marktkaffee, zodat de tweede groep ons kon aflossen.

    Zo bleven we nog lang nagenieten met een drankje en een babbeltje.  De uren vlogen voorbij, zeker met de leuke bediening achter de toog.  Dat hadden we in het landelijke Eernegem niet verwacht 😉

    Een tijdje later kwam de tweede groep (of wat er nog van overschoot) ons nog vervoegen.

    We waren het er allemaal over eens, deze activiteit gaf ons allen een goed gevoel.  Wie had ooit gedacht dat een radiomuseum ons zo kon aanspreken, maar dat was zeker niet in het minste de verdienste van Karel, die met passie zijn liefde voor radio’s en diens geschiedenis op ons kon overbrengen.

    Wij danken u voor uw aandacht.

Donderdag 13 februari 2020 : Film : “Matthias & Maxime”

  • “ ’t Is waar, ge hebt zo van die films waarbij je op het einde denkt: Tiens, dat gaat hier over zo goed als niets!”. Maar je weet dat natuurlijk maar nadat je gekeken hebt, hé!”

    Dat was het commentaar van iemand die wel thuis is in het cinemawereldje.

    Het feit dat de film geregisseerd is door een gekend regisseur, Xavier Dolan, is niet altijd een garantie voor een onderhoudend avondje uit.

    We waren met 21 man van Liever Gelijk en sympathisanten.   Je had wel mooie beelden, mooie muziek, maar het is blijkbaar “mode” om tegenwoordig films te maken waarin niet zo veel verhaal zit.  En daar waren enkelen toch niet zo gelukkig om.

    Iemand zei me: “Allez, dat ze nu in deze tijd nog niet weten, hoe de vork in de steel zit en daar dan nog moeite mee hebben om het te accepteren.”

    Inderdaad, toegeven dat je voor de mannen bent, is blijkbaar nog altijd een hele innerlijke strijd en dat moet dan goed uitgesmeerd worden op het witte doek, en dat in films waarvan de gay goegemeente toch tenminste een positief zelfbeeld verwacht.

    ’t Is de laatste tijd blijkbaar niet meer okay to be gay.

    Lezersbrief over het artikel hierboven.

    Naam is bij de redactie bekend.

    Hierbij zeker  geen opmerking wat betreft het artikel in Ingeblikt, maar ik vond het toch een beetje onrechtvaardig .

    Zoals je weet, ben ik lid van de Oostendse Filmclub, meestal films die niet in het gewone circuit terecht komen.  Elke donderdag ga ik trouw naar deze filmavond.  Afgelopen donderdag was dit “Widows of Silent”.  Vrijdag zijn wij dan nog naar “La Vérité” geweest met Deneuve,  gisteren naar Matthias & Maxime, deze avond naar “Hidden Live” enzoverder .

    Matthias en Maxime, over “niets” ging deze film zeker niet.

    Matthias heeft alles om gelukkig te zijn: een mooie vriendin, een mooi huis en een super job.

    Hoeveel gehuwde mannen in 2020 verkeren er niet in deze situatie: in een gevecht met hun geaardheid en de liefde voor een vriend ?

    Ik kan er wel héél veel aanduiden, alleen al in mijn vriendenkring. Waarschijnlijk kijk ik, aangezien ik dit alles al heb meegemaakt, daar anders naar dan gays die onmiddellijk of heel vroeg uit de kast zijn gekomen .

    Ook ik ben thuis gebleven in een tweestrijd, zeker voor mijn zoon die toen 8 maanden oud was .

    Maxime vlucht voor zijn moeder, maar zeker ook voor de onbeantwoorde liefde van Matthias .  Hij weet wel hoe het zit, zoals iedereen in deze film.  De vriendin van Matthias, alle vrienden en moeders, iedereen zwijgt.  Nu is dit nog altijd zo. Mensen zwijgen hierover, wanneer je erbij bent.

    De oudere dames zijn prachtig in hun vertolking.  Vooral  de sfeer van twijfel bij Matthias, de ongewilde vlucht van Maxime en de prachtige muziek maken voor mij van deze film een toppertje.

    Hoeveel gehuwde mannen, alleen al in Vlaanderen, herkennen zichzelf in 2020 niet in Matthias ? Hoeveel van deze mannen zoeken hun vlucht niet op parkings, of in een gay sauna ?

    Nee, deze film gaat zeker niet over niets, maar over een heel actuele en herkenbare situatie .

Zaterdag 18 januari 2020 – NIEUWJAARSACTIVITEIT Liever Gelijk in GENT

  • Nieuwjaarsrecepties tout court hebben we niet altijd gehad.  Daarvoor hadden we in januari altijd een “normale” activiteit.  Pas sinds 2011 hebben we elk jaar in januari een nieuwjaarsreceptie georganiseerd.  De eerste ging door in de Orangerie van het toenmalige Broelmuseum in Kortrijk.

    Dat ging zo door tot in 2015 toen we even naar Rollegem verhuisden en sinds 2016 maakten we het Kasteeltje van Heule onveilig.

    Maar na 4 jaar in het Kasteeltje te hebben vertoefd, besloten we om het eens over een andere boeg te gooien.  En deze formule heeft wel degelijk aangeslagen.

    Eerst een namiddag-activiteit met aansluitend een receptie zonder veel toeters of bellen in de Salons van de Casa Rosa in Gent.  Waar zich eerst een goeie veertigtal leden hadden ingeschreven, bleef er op het einde toch nog 37 man over om de Sint-Pietersabdij te bezoeken.  Nadien kwam er nog 3 man de aansluitende receptie vervoegen.

    Met dus in totaal 40 deelnemers ons nieuwe werkjaar ingezet te hebben, mogen we zeker niet ontevreden zijn.

    Afspraak om 13u45 op het Sint-Pieters plein aan de ingang van de fameuze Sint-Pieters abdij in Gent.

    Omdat de gure winden ons buiten niet zo bevielen, verzamelden we binnen in een vleugel van de warme kloostergang totdat onze bende voltallig was.

    We kregen een movieguide aangemeten en de virtuele rondleiding ging van start.

    Toegegeven, de uitleg van onze virtuele monnik Alison was af en toe een beetje langdradig, maar hij bracht ons toch wel tot in alle delen van de historische abdij, van de krochten van de kelders tot op de zolders toe. 17 Staties dienden we te doorlopen.

    Bij de eerste statie treurde de monnik Alison om zijn gestorven vriend Gabriël.  De diepbedroefde manier waarop Alison over zijn overleden compaan sprak, deed bij ons toch vermoedens rijzen over de intimiteit van hun relatie.

    Maar niet getreurd, we gingen dra op pad doorheen de gangen en zalen van de abdij.

    Op een oude afbeelding van de abdij zagen we dat deze vroeger toch een stukje groter was en dat een heel gedeelte, samen met de parochiekerk Onze-Lieve-Vrouw, afgebroken was om het Sint-Pietersplein zijn huidige vorm te geven.

    We staken het binnenplein van de kruisgang over en kwamen nadien via een smal trapje, begeleid door orgelmuziek, op het okzaal van de Sint-Pieterskerk uit, waar we een mooi zicht hadden op het interieur van de imposante abdijkerk.

    Natuurlijk weken sommigen van hun route af om eens een blikje te werpen in deze ruimte en de heldere koepel te bewonderen. Aan deze kerk werd er bijna 100 jaar gebouwd.

    “In de 16de eeuw had de oude middeleeuwse abdijkerk van Sint-Pieter veel te lijden gehad van de Beeldenstorm en tegen het begin van de 17de eeuw werd besloten tot de bouw van een nieuwe kerk, geheel naar de contrareformatorische geest van die tijd. Naar het ontwerp van Vlaams architect en jezuïet Pieter Huyssens (1577-1636) werd op 14 april 1629 de eerste steen gelegd; op 1 juni 1722 werden de werken beëindigd.” (bron Wikipedia).

    Nadien daalden we af in de donkere krochten van de abdij.  Via een ruimte die nu gebruikt wordt voor feestjes en recepties gingen we nog een verdieping lager om de vroegere wijnkelders te betreden.  Alle wijn was spijtig genoeg vervlogen.

    Terug boven kon je, als je je hoofd door een bepaalde opening stak, dat ook nog kwijt geraken.  Nog een overblijfsel van de Franse bezetting.

    We kwamen ook voorbij de kapittelzaal, vroegere vergaderzaal van de abt en zijn monniken.

    Nu werd daar een voorstelling van een documentaire opgebouwd over het leven van een vroegere Perzische zangeres: “Legende van de Perzische Diva Hayedeh.”  Je kon er later die avond ook nog Perzische wijnen proeven, legde een leuke Iraanse jongeman mij uit.  Ik had natuurlijk graag samen met hem een wijntje geproefd, maar de monnik Alison spoorde ons aan om verder te gaan.

    We bezochten kort de tentoonstelling “Tussen Hemel en Aarde” waar een aantal historische vondsten en voorwerpen over het vroegere leven in de abdij werden tentoongesteld. We zagen er onder meer de mijter van de laatste abt.

    Zo kwamen we via een deurtje in de abdijtuin.  De tuin van de Sint-Pietersabdij, 0,75 hectare groot, is een reconstructie van een middeleeuwse tuin en bestaat uit een kruidentuin, een wijngaard, een boomgaard en gazon. In de kruidentuin zijn verschillende geneeskrachtige kruiden die in de middeleeuwen gebruikt werden, getrouw overgenomen. Er zijn ook nog resten van de vroegere ziekenboeg of infirmerie.  Onder de vele fruitbomen vielen vooral de vijgen- en kiwi-bomen op tegen de achtergevel van het abdijgebouw.  Van een wijngaard was er al sprake in de 9e eeuw, maar Napoleon liet deze verwijderen, voorstander dat hij natuurlijk was om meer de Franse wijnen te promoten.  In 1983 werd er opnieuw een aangelegd door de Gentse Wijnmetersgilde.  Monte Blandino is de naam van de nieuwe abdijwijn.

    Via het “Hellegat” kwamen we op een tweede binnenkoer van de abdij.  Hier waren blijkbaar nodige restauratiewerken aan de gang.

    Langs opnieuw een smal trapje, werden we verder geleid naar een heel apart kamertje, mooi behangen, maar leeg.  Op de movieguide daarentegen stond er een bed afgebeeld.  Blijkbaar had onze jonge monnik Gabriël in de nacht dat hij om het leven kwam, nog een vurige ontmoeting met een dame, genaamd Colette.  Je ziet waartoe een ontmoeting met een vrouw leiden kan!  Wij hadden er graag een darkroom van gemaakt, lichten uit en gordijnen dicht!

    Dan verder naar boven, naar een “zolderverdieping”.  In een oase van stilte zaten daar verschillende studenten over hun boeken gebogen.  Met veel schroom, om de jongelingen die in gedachten verzonken waren, niet te storen, gingen we naar de overkant van de “studiezaal”.

    Trapje naar beneden en zo belandden we in ruimte van de vroegere bibliotheek. In 1798 werd de bibliotheek leeggehaald en overgebracht naar de voormalige Baudelo-abdij.  Nog vroeger was hier het dormitorium (slaapzaal) van de monniken.

    Een pikant detail, in de Regel van Benedictus wordt vermeld, dat er geen twee jonge monniken naast elkaar mochten slapen, maar dat er steeds een oudere monnik tussen twee jongere in moest liggen.

    Zo kwamen we in de vroegere refter van de monniken.  Op het gewelf werden verschillende Oud Testamentische taferelen afgebeeld.  Door de omvorming van de abdij tot kazerne werd een deel van de gebouwen voor sloping behoed, maar dit verhinderde niet de verdere ontmanteling en teloorgang van het eens zo rijke patrimonium.  In 1829-1830 werd de refter door een zware tussenvloer in twee grote horizontale zalen verdeeld.  Die tussenvloer werd tijdens de restauratie in de jaren ’50 terug verwijderd.

    Het plankenplafond diende natuurlijk ook gerestaureerd te worden.  Het wegnemen van één plank, de houtrestauratie, de fixatie, reiniging en retouches van de beschildering en vervolgens het terugplaatsen van dezelfde plank, nam gemiddeld drie dagen in beslag.

    Men bedenke daarbij dat het 654 m² grote gewelf uit 1920 planken bestaat… Dit monnikenwerk werd uitgevoerd door het in Lovendegem gevestigde restaurateurscollectief van Hugo Vanden Borre en Miek Lauwers. Na 5500 mandagen was in 2011 de klus geklaard en dit voor een gewelfschildering waarvan de archiefstukken beweren dat het op één jaar tijd ooit geschilderd werd…

    De laatste ruimte die we bezochten was de zolder met de houten gebinten boven de historische refter. Blijkbaar was onze jonge monnik Gabriël daar omgekomen, toen hij door de plankenvloer brak en naar beneden stortte.

    De rondgang door de abdij eindigde daar waar we begonnen waren, in de kruisgang beneden aan het onthaal.

    Van daaruit gingen diegenen die nog van de receptie wilden genieten te voet naar de Salons van de Casa Rosa aan de Kammerstraat 22 in Gent.

    Intussen werd de nodige drank aangevoerd in de auto van Frank.  Dat de stad Gent het verplaatsen met de auto binnen de stad tracht te ontmoedigen, merkte je aan het feit dat auto en voetgangers tegelijkertijd op de locatie aankwamen. Maar zo hadden we wel een paar helpende handen die de kartons cava naar binnen mochten dragen.

    Het was weer eens  iets anders.  De ruimte rook nog naar verschaald bier van het vorige drankevenement.  De tafels werden een beetje bij elkaar gezet, de glazen werden op de toog gevuld, de kaasjes, nootjes en salamietjes werden op tafel gezet. Oude ingelijste plakkaten van homodagen uit vervlogen tijden, van toen we nog jong en mooi en sommigen onder ons nog niet geboren waren, keken welwillend op ons neer.

    En we waren weer vertrokken voor een gezellig samenzijn.

    De cava vloeide rijkelijk en aangezien de groep niet zo groot was als de vorige jaren en we aan tafels konden zitten, kon je met de meesten wel eens een babbeltje slaan.

    Voor de organisatoren was het ook leuk om eens mee te genieten en om niet, zoals voorgaande jaren, constant drank aan te moeten voeren.  We hadden nadien ook een paar helpende handen die de glazen netjes afwasten en properder in de rekken terugzetten dan we ze eruit genomen hadden 😉

    Tegen achten begonnen de meeste magen echter te grommen en werden er afspraken gemaakt om ergens in de stad nog iets te gaan eten.  Sommigen bleven in de buurt, anderen togen dan weer naar de Sleepstraat naar dezelfde Turk en Indiër, waar we vorig jaar, na een activiteit, nog te gast waren.

    Zo doofden we iets na achten de lichten van het Salon van de Casa Rosa en trokken we de deuren van deze heilige ruimte achter ons dicht.

    Een mooi begin van ons nieuwe werkjaar 2020.